Ik zat te kakken. Iedereen moet kakken. Prinses Mathilde ook. Ik zie haar al bezig, met dat hol boven de pot. Haar stront komt eruit. Waar blijft het vandaan komen, zo denkt de prinses.
Ik doe al een tijd m'n best om aan haar e-mailadres te raken. Het zit er voorlopig niet in, hoewel ik mensen uit de hogere kringen ken. Wat zou ik haar mailen? Wel, een paar simpele dingen. Dat ik erg dol ben op ons kleine landje aan de zee. Bovendien, prinses Mathilde, ik heb kennis aan een keeshond die kan praten. Nou ja, kennis. Ik heb 'm één keer ontmoet. Verder weet ik weinig over hem. Of hij broertjes of zusjes heeft, dat weet ik niet eens. Je mag me altijd terugmailen. Bij voorkeur na zeven uur 's avonds.
Ik verliet de wc's en ging terug aan m'n tafeltje zitten in Den Dauphiné Libéré. Aan het tafeltje naast me zaten drie moslims te zwijgen. Wat waren ze aan het bekokstoven? Als moslims zitten te zwijgen moet je uitkijken. Dan zou plotseling een van hen, of erger nog, twee van hen, kunnen ontploffen. Dat ze alledrie ontploffen, daar wil ik niet eens aan denken. Voorlopig lurkten ze aan hun thee. De ene had een serieuze buik onder z'n hemd, dus daar zou het dynamiet kunnen zitten. Als het zo verderging zou ik de politie bellen. Ik ken commisaris Mastique persoonlijk.
De drie moslims stonden op. Nu gaat het gebeuren, dacht ik bij mezelf. We gaan er allemaal aan. Dag lieve vrienden, dag prinses Mathilde, zij die in de lucht gaan vliegen groeten jullie en hopen jullie terug te zien in de betere wereld aan de overkant. De drie moslims gingen naar buiten. Wat een opluchting, wat een onbeschrijflijke opluchting. Bijna had ik het Hosanna-lied gezongen, hoewel ik de exacte woorden ervan niet ken. Ooit, toen ik een jeugdige katholiek was, kende ik ze wel en zong ik ze wel eens, als ik eenzaam in de Hamse bossen dwaalde, doch nu, nee, niet meer. Was het niet iets als Hossana in den hoge, ik kom naar u toe gevloge? Et cetera. Prachtig lied.
-Uit:
Het spook van toetegaai van
Herman Brusselmans, uitgegeven bij Prometheus, Amsterdam, 2005-